Op jacht met Karel V: een tijdreis door het Zoniënwoud
Brussel, 5 januari 1530
Het is een frisse morgen in januari. Bernard en Jan staan al een tijdje te wachten in de uitgestrekte en terrasgewijs aangelegde tuin. Dringende politieke zaken hebben de keizer vertraagd maar de twee kunstenaars durven daarover niet te klagen. Het is koud maar de vertraging heeft ook zijn voordelen. Ze hebben tijd het uitzicht goed in zich op te nemen, want ze krijgen niet iedere dag de kans om hun thuisstad vanuit hier te zien. Bernard staat tegen de muur van een paviljoen geleund terwijl Jan verderop zit en wat met zijn handen aan een bladknop friemelt. Voor hen strekken de bosrijke tuinen van het Paleis op de Koudenberg zich uit. De naam zegt het al: het enorme oude paleis van de hertogen van Brabant ligt op een heuvel die een prachtig zicht over de stad biedt. Het heeft gevroren vannacht en de torens van het stadhuis aan de Grote Markt en de kathedraal van Sint Michiel-en-Goedele prikken boven de rookslierten uit die uit de vele Brusselse schoorstenen opstijgen. De geur van brandende turf is tot hier te ruiken. Ook in de enorme haard van de Grote Zaal, diep in het paleis, wordt een vuur gestookt. De koks bereiden zich voor op wat komt. Vandaag wordt er gejaagd!
Zicht op het Paleis op de Koudenberg (maart). Le mois de mars ou Le signe du bélier ou La chasse au faucon, de la tenture dite des Chasses de Maximilien – Musée du Louvre Objets d’Art OA 7314
De Jachten van Maximiliaan
Kunstenaars Bernard van Orley en Jan Tons II werden in 1530 door het Habsburgse hof in Brussel gevraagd een serie van twaalf grote wandtapijten te ontwerpen. Keizer Karel V en zijn familieleden verbleven in die jaren enige tijd in het oude hertogelijke paleis van de Brabantse hertogen aan de oostrand van hoofdstad Brussel, destijds het middelpunt van hun bezittingen in de Nederlanden. De Habsburgers verbleven er graag en vermaakten zich in de tuinen die volgens de beroemde schilder Albrecht Dürer geen gelijke kenden in Europa. Er waren bossen, vijvers, sier- en groentetuinen, een labyrinth en zelfs een dierentuin.
De grootste troef van Brussel was echter de nabijheid van een zeer uitgestrekt bosgebied dat vrijwel volledig in handen van de keizer was: het Zoniënwoud. In dit bos konden de Habsburgers hun favoriete tijdverdrijf beoefenen: jagen. Van Orley en Tons kregen de opdracht de jachtpartijen van de keizerlijke familie te vereeuwigen. Voor alle maanden van het jaar een tapijt. Deze prachtige serie, die drie jaar kostte om te maken, bestaat nog altijd en staat (foutief) bekend als “De Jachten van Maximiliaan”. Het zijn echter Karel V, zijn broer en zus en niet hun opa die erop schitteren.
Het Paleis op de Koudenberg aan het begin van de 18e eeuw. Gravure door Harrewijn en Butkens, 1726.
Daar komt de keizer! Jan springt op en samen met Bernard kijkt hij in de richting van de grote dubbele toegangspoort in het paleis die toegang biedt tot de tuinen. Voorafgegaan door trompetters, jagers en hoge hofedelen rijdt de kern van het gezelschap de helling af en de tuinen in. In hun midden, duidelijk herkenbaar, bevindt zich de keizerlijke familie. Zij wordengevolgd door lagere edelen en een grote groep voetvolk die allerhande materiaal meezeult dat nodig is bij een keizerlijke jachtpartij: wapens, manden, stokken, speren, touwen, haken en bijlen maar ook kruiken, tafels, stoelen, borden, bestek, bekers en vaten wijn. Hoorns schallen, jachthonden blaffen. Onverstoord stappen de paarden tussen het rumoer. Hun adellijke berijders dragen rijk uitgevoerde jachtkostuums, korter gesneden en beter geschikt voor het rijden, in rood met goudstiksel. De keizer is herkenbaar aan een grote pluim op zijn vuurrode hoed. Bernard en Jan nemen de tijd om dit spektakel te bekijken. Het duurt namelijk even tot de stoet bij hun uitkijkpunt aangekomen is. De keizer groet hen. De kunstenaars buigen diep totdat hij hun gepasseerd is en ze sluiten zich aan het einde van de stoet aan. Een stalbediende wijst hun een paard toe en ze verlaten de tuinen van de Koudenberg richting het woud.
Het woud bij Oudergem (mei). Le mois de mai ou Le signe des gémeaux ou L’assemblée, de la tenture dite des Chasses de Maximilien – Musée du Louvre Objets d’Art OA 7316
Een eindeloos woud
Ooit lag er in het midden van het huidige België een uitgestrekt en indrukwekkend bosgebied dat al door Julius Caesar werd genoemd in zijn De Bello Gallico: het Kolenwoud (Silva Carbonaria). Dit woud strekte zich uit over grote delen van Midden-België en bestond uit heuvelachtig terrein dat werd doorsneden door talloze beekdalen en rivieren. Veel van deze waterlopen maakten deel uit van de stroomgebieden van de Schelde en de Maas, waaronder de Demer, Gete, Jeker en Zenne. Langs deze rivieren vestigden zich al vroeg mensen, die het woud stukje bij beetje begonnen te ontginnen.
Rond het jaar 1000 waren van het oorspronkelijke Kolenwoud nog slechts enkele grote boscomplexen over. Het Zoniënwoud, ten zuiden van Brussel, was daarvan met vele duizenden hectares veruit het grootste restant. De naam van dit woud wordt waarschijnlijk in verband gebracht met het riviertje de Zenne, dat in middeleeuwse bronnen voorkomt als Sonia en langs de westelijke rand van het bos stroomde. Vanuit de hoger gelegen en natte delen van het woud voerde een netwerk van slingerende dalen het water af richting deze rivier.
In de moerassige vallei van de Zenne ontstond aan het einde van het eerste millennium een kleine omwalde nederzetting: Bruocsella, letterlijk ‘woning in het moeras’. Dit plaatsje groeide uit tot het latere Brussel. Dankzij de vruchtbare gronden in de omgeving ontwikkelde de nederzetting zich snel tot een belangrijk bestuurlijk en economisch centrum binnen het graafschap Leuven. In de 11e eeuw kregen de graven van Leuven het gebied stevig in handen. Op de Koudenberg, hoog boven de stad, lieten zij een kasteel bouwen. Met hun macht over Brussel verwierven zij ook de heerschappij over het uitgestrekte Zoniënwoud, dat voortaan een centrale rol zou spelen in jacht, bestuur en machtsvertoon.
Een kaart van het Zoniënwoud door Ignatius van der Stock, 1661. Noord is beneden en de stad Brussel is rechtsonder te herkennen.
Langzaam wordt het stiller. Na het verlaten van de stad is het gezelschap door het dorp Etterbeek getrokken waar het vanzelfsprekend veel bekijks trok. De dorpelingen probeerden de aandacht van de hoogste edelen te trekken. Wie weet werd er een zilveren munt voor hun voeten gegooid… Vandaag vingen ze helaas bot en gingen morrend terug naar een van de vele herbergen in het dorp die reizigers richting de stad bedienen. Ook het adellijk gevolg heeft dorst gekregen. Aan de randen van het halverwege gelegen Mesdaalbos wordt er vervolgens halt gehouden. Ondanks het koude winterweer zijn er vogels te horen in het bos. Ook op de braakliggende velden rondom Etterbeek en Watermaal zien de schilders hoenders op zoek naar restjes graan. De boeren hebben niet alles van hun velden kunnen halen. Hier en daar groeit wintergraan waartussen de vogels zich verstoppen. Deze prooien waren de jagers natuurlijk al veel eerder opgevallen en de vrouwen van het hof maken zich op voor de valkenjacht terwijl verkenners de bossen in trekken op zoek naar wild. Jan wijst naar Maria van Hongarije. De zus van Karel zit als een man op haar paard, wijdbeens. Dat heeft hij nog nooit gezien. Ongezien ongracieus voor zo’n edel persoon. Toch neemt ook zij deel aan de sierlijke jacht met de valk. Op haar arm draagt ze een prachtige vogel. Ze haalt de hoofdkap van het dier en steekt haar linkerhand in de lucht als sein. In het veld wordt met houten stokken tegen elkaar geslagen. De hoenders vliegen verschrikt open Maria gooit haar valk met een vloeiende beweging omhoog. De belletjes aan zijn poten rinkelen…
Maria van Bourgondië (de oma van Karel V) tijdens de valkenjacht. Afbeelding uit de Cronycke van Vlaenderen, 1473.
De valkenjacht
De valkenjacht was een van de meest prestigieuze jachttechnieken binnen de adellijke jacht in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Door de sierlijke en gecontroleerde wijze waarop deze werd beoefend, gold deze vorm van jacht ook als bijzonder geschikt voor adellijke vrouwen. Men onderscheidde twee hoofdvormen: de hoge vlucht en de lage vlucht. Bij de hoge vlucht cirkelde de roofvogel op grote hoogte om vervolgens neer te storten op opgejaagde prooi, terwijl bij de lage vlucht de jacht zich afspeelde op korte afstand en dicht bij de grond.
Aan de Brabantse en Bourgondische hoven, die elkaar in Brussel opvolgden en later werden voortgezet door het Habsburgse hof, bestond eeuwenlang een sterke traditie van valkenjacht. Het hertogdom Brabant speelde hierin een belangrijke rol, niet alleen om culturele redenen, maar ook door zijn landschappelijke ligging. Het noordelijke deel van het hertogdom, de Kempen, lag op de jaarlijkse trekroute van de slechtvalk. Daarnaast lagen hier uitgestrekte heidegebieden waar de lokale bevolking op basis van gewoonterecht mocht jagen op klein wild en vogels.
In deze streek ontwikkelden bewoners al vroeg kennis van de valkenvangst en het africhten van roofvogels. In Arendonk zou dit volgens overlevering al in de 10e eeuw zijn gebeurd. In het nabijgelegen Valkenswaard, Leende en Leenderstrijp nam de valkenvangst vanaf de 16e eeuw een grote vlucht. Valkeniers uit deze dorpen waren daardoor gewild en vonden hun weg naar vrijwel alle Europese vorstenhoven. Tot op de dag van vandaag zijn op de heide rond deze Kempense plaatsen nog sporen van deze traditie zichtbaar, in de vorm van oude vangplaatsen, aardwerken en plaatsnamen die herinneren aan de bijzondere eeuwenoude specialisatie.
Hertenjacht bij het Rood Klooster (juli). Le mois de juillet ou Le signe du lion ou Le rapport, de la tenture dite des Chasses de Maximilien – Musée du Louvre Objets d’Art OA 7318
Tijdens de valkenjacht hebben de mannen even tijd gehad om uit te rusten en wat te eten. Versterkt is de stoet daarna verder getrokken. Via het dorpje Oudergem hebben ze het Rood Klooster bereikt. Bij deze indrukwekkende priorij aan de rand van het Zoniënwoud begint de echte jacht: die op groot wild. Terwijl de heren zich klaarmaken en de laatste hand leggen aan hun wapens en paardentuig gaan knechten met lange stokken de bossen rond het klooster in op zoek naar verse sporen.Terwijl het gezelschap nog wacht aan de oevers van de vijvers rond het klooster, gebruiken Bernard en Jan de tijd om voorbeelden te verzamelen die ze straks kunnen gebruiken om de voorstellingen te maken. Bernard maakt een schets van de kloostergebouwen terwijl Jan planten en bloemen plukt en ze in zijn korf stopt. Net zoals de grote schilder Hugo, denkt Jan, die hier vijftig jaar eerder ook moet hebben rondgelopen ter inspiratie voor de bloemen en planten in zijn grote altaarstukken. De kunstenaars voelen toch wel enige trots dat zij nu ook hier mogen lopenin nabijheid van de keizer.Hoorns klinken! De paarden beginnen onrustig te trappelen. Snel rennen de Bernard en Jan terug naar hun dieren. Uit de bossen komt een ruiter in volle vaart. Hij voegt zich bij de keizer. Er zijn evers gespot! Niet ver van hier, ten zuiden van Dry Borren.
Zwijnenjacht bij Dry Borren (december). Le mois de décembre ou Le signe du capricorne ou La chasse au sanglier, de la tenture dite des Chasses de Maximilien – Musée du Louvre Objets d’Art OA 7323
Na het hoornsignaal aarzelen de jagers niet en geven hun paarden de sporen. Ze volgen de valei naar het zuiden. Niet lang daarna komen ze bij het oude omgrachte jachthuis met de kenmerkende toren aan. Ze schenken het gebouw geen aandacht. De ruiters springen over een kleine beek. Ze haasten zich stroomopwaarts. Honden blaffen boven de steile randen van de valei. In het bos zijn al jaren geleden lange wallen aangelegd waardoor het wild makkelijk opgedreven kan worden in de richting van de heren. Opnieuw schalt een hoorn. Het woeste geblaf komt dichterbij. De verkenners drijven de zwijnen richting de diepte waarin de jagers klaarstaan. Ook de honden die zich nog bij de jagers bevinden, worden nu onrustig. Ze ruiken het wild… Opeens dondert een enorm zwijn door het dode hout op de hellingen. Het stormt op de groep af. “Allez”! roept de keizer en zijn troep jachthonden wordt losgelaten. Ze zijn niet snel genoeg! Het boze en angstige dier beukt door de groep jagers heen. Enkele mannen, waaronder Bernard, belanden op de grond. De troep grijphonden volgt. Door de klap is de ever vermoeid en verward. De honden hebben beet. Ze werpen zich op het dier dat wild om zich heen bijt en trapt. Bekomen van zijn verwarring, grijpt keizer Karel zijn zware jachtspeer. Hij geeft zijn paard de sporen. In volle vaart spoedt hij richting het strijdende kluwen dieren. Gegrom, geblaf, gejank. Dan een korte krijs en gereutel. Zijn speerpunt steekt tot aan het dwarshout in het hart van het zwijn.
Zicht op de restanten van het Rood Klooster vanaf de overzijde van de naastgelegen stuwvijver.
Jagen, bidden, schilderen
Het Zoniënwoud was in de middeleeuwen voor een groot deel een dicht en moeilijk toegankelijk bosgebied. In tegenstelling tot de huidige productiebossen bestonden zulke wouden uit een vrijwel aaneengesloten vegetatie van planten en bomen van uiteenlopende leeftijd en omvang: van lage kruiden en struiken tot monumentale eiken en beuken. Dankzij de vruchtbare, leemrijke bodem en het afwisselende reliëf met beekdalen was de plantenrijkdom groot, en daarmee ook de aanwezigheid van wild. Juist deze combinatie maakte het Zoniënwoud bijzonder geschikt voor de jacht. In de 11e eeuw kwam het bos grotendeels in handen van de graven van Leuven, die de ontginning er streng reguleerden om het gebied te behouden als een exclusief jachtdomein.
Toch bleef het woud niet volledig ontoegankelijk. De eenzaamheid en stilte trokken ook religieuzen aan die afzondering zochten. In de 14e eeuw kregen drie kluizenaars toestemming van de hertog van Brabant om zich in het woud te vestigen. Hun eenvoudige houten onderkomens groeiden in de loop van die eeuw uit tot een bloeiende kloostergemeenschap: het Rood Klooster. In 1478 trad hier een bijzondere nieuwe broeder in: de vermaarde kunstschilder Hugo van der Goes. Hij geldt als een van de grote vernieuwers van de Vlaamse schilderkunst, in de traditie van Jan van Eyck en Rogier van der Weyden, en vertoont in zijn werk vroege renaissance-invloeden. Ook als kloosterling bleef hij schilderen.
Enkele van zijn belangrijkste werken, waaronder een Geboorte van Christus uit de jaren rond 1480, ontstonden in de afzondering van het klooster. De grote soortenrijkdom van het omliggende bos is herkenbaar in zijn schilderijen, waarin planten met uitzonderlijke nauwkeurigheid zijn weergegeven. Deze botanische observaties zijn ongetwijfeld gebaseerd op de flora van het Zoniënwoud. Mogelijk vormden zij later ook een inspiratiebron voor kunstenaars als Jan Tons II, wiens tapijtenreeks eveneens getuigt van een opvallend precieze weergave van planten.
De Geboorte van Christus door Hugo van der Goes, circa 1480. Gemäldegalerie, Berlijn.Op het schilderij zijn zeer gedetailleerde planten te herkennen.
Nadat Bernard door Jan overeind is geholpen, ziet hij hoe langs zijn kraag een stroom donker bloed naar beneden loopt. Tijdens zijn val moet hij langs een scherpe tak zijn geschampt. Die heeft een diepe wond in zijn wang achtergelaten. Jan grijpt snel een doek en drukt die tegen de snee. Het bloeden mindert. Bernard heeft geluk gehad. Minder fortuinlijk is een andere man, die bij zijn val van het paard een been heeft gebroken. Met op elkaar geklemde kaken laat de jager zich door zijn kameraden over de gracht van Dry Borren dragen. De kapelaan, die bij het jachthuis woont en de kapel bedient, snelt hen tegemoet. De gewonde mag in een bed worden gelegd, de kerkers zijn niet voor edelen bestemd. Intussen wordt ook het gedode zwijn eervol op zijn rug gelegd. De edelen verzamelen zich rond het dier. De keizer knielt, trekt zijn jachtmes en zet de eerste snede in de buik. Met dat gebaar bevestigt hij zijn recht op het bos en het beest. Bernard en Jan zien hoe de ingewanden zorgvuldig worden uitgenomen en verdeeld. Karels broer Ferdinand ontvangt het hart, een ander de lever. De kop van het zwijn komt vanzelfsprekend aan de keizer zelf toe. Het verzamelde bloed gaat naar de honden. Een van de poten wordt, toepasselijk, naar de gewonde in het jachthuis gebracht. Jan grinnikt.
Een van de vele steile hellingen in het Zoniënwoud.
Het oude jachthuis
Nadat de graven van Leuven in de 12e eeuw de titel van hertog van Brabant hadden verworven, verruilden zij hun traditionele machtsbasis Leuven steeds vaker voor het groeiende Brussel. Net als later bij keizer Karel V speelde daarbij mogelijk de nabijheid van het Zoniënwoud een rol, dat fungeerde als exclusief hertogelijk jachtdomein. De hertogen jaagden graag in het gebied en lieten er dreven, jachtwegen en wallen aanleggen om het wild te sturen. In het begin van de 14e eeuw liet hertog Jan II, op de plek van een bestaande kluizenaarswoning, een versterkte toren oprichten die dienstdeed als jachtslot. Rond deze toren werd een brede gracht aangelegd, die voortdurend van water werd voorzien door drie natuurlijke bronnen in de flanken van het dal.
De naam Dry Borren betekent dan ook letterlijk ‘drie bronnen’. Eén van deze bronnen is vandaag nog steeds zichtbaar en voedt de nabijgelegen vijver. Het gebouw diende echter niet uitsluitend als jachtslot. De hertogen gebruikten het ook als gevangenis voor stropers, rovers en politieke tegenstanders. Tegelijkertijd was de plek niet louter een oord van dwang en straf: bij het complex woonde een kapelaan die instond voor de geestelijke zorg. Een van deze kapelaans vond, net als vele kunstenaars, inspiratie in het omringende woud. Wein van Cotthem verbleef hier namelijk en werkte er aan zijn vervolg op de Brabantsche Yeesten, een belangrijk middeleeuws rijmwerk waarin de geschiedenis van het hertogdom Brabant werd vastgelegd.
Aan de betekenis van Dry Borren als hertogelijk verblijf kwam uiteindelijk een einde. Het nabijgelegen kasteel van Tervuren was luxer en werd steeds vaker verkozen als jachtslot. Hoewel Dry Borren nog meerdere keren werd vernieuwd en gedeeltelijk heropgebouwd, raakte het complex geleidelijk in de vergetelheid. Vandaag rest slechts een klein deel van het geheel, een stille getuige van een plek die ooit een centrale rol speelde in jacht, macht en literaire cultuur van het hertogdom.
Het hertogelijke jachtslot Dry Borren, waarvan een deel resteert, ligt verstopt in het bos.
De keizer zit de rest van de dag triomfantelijk op zijn paard en spreekt geanimeerd met zijn kompanen. Het enorme zwijn is niet het laatste dier dat hij vandaag aan zijn speer rijgt maar het eerste maakt altijd de meeste indruk. De groep baant zich al jagend in oostelijke richting een weg door het woud. Af en toe kruisen ze de oude weg tussen Brussel en Waver. Er wordt een korte stop gemaakt bij het Kapucijnenklooster van Eizer, afgelegen in de bossen. Terwijl de schrammen die Bernard heeft opgelopen worden verzorgt, heeft Jan de tijd om de keizer te benaderen. Zijn vuurrode kostuum zit vol donkerrode vegen. Van de pluim druppelt bloed. Niet lang na het oponthoud bij het klooster, hier hebben de edelen wel wat zilver gedoneerd, wordt het kasteel van Tervuren bereikt. De dragers aan het einde van de colonne moeten opgelucht zijn want zij hebben de hele tocht het gedode wild moeten dragen. In de wijde tuinen van het jachtslot wordt een groot vuur aangelegd waarboven de hoofdprijs wordt gebraden: het zwijn. De tafels en stoelen die meegetorst zijn, worden opgesteld in de grote zaal van het kasteel en ook de groep met de valken mengt zich tussen het rumoer. Bij het vallen van de avond trekt het gezelschap zich terug. Terwijl de keizer in de slotkapel vermoedelijk een dankgebed prevelt voor de goede jacht, knielt Bernard buiten kort neer op de kale grond en dankt God dat hij de aanval van het zwijn heeft overleefd. Jan staat ernaast en kijkt dankbaar naar de hemel. Donkergrijze wolken verzamelen zich. Het tweetal stijgt op hun paarden en zetten de terugreis in. Het begint te sneeuwen. Langzaam wordt het landschap wit.
Het roosteren van een zwijn bij kasteel Tervuren (januari). Le mois de janvier ou Le signe du verseau ou La flambée du sanglier, de la tenture dite des Chasses de Maximilien – Musée du Louvre Objets d’Art OA 7324
Voor wie het zelf wil bezoeken of meer wil weten:
De meeste locaties die in deze reis worden genoemd bestaan nog en zijn dus te bezoeken. Dat geldt vooral voor de locaties die aan de rand van of in het Zoniënwoud liggen zoals het Rood Klooster, jachtslot Dry Borren en het kasteelpark van Tervuren. Het Paleis op de Koudenberg is helaas door brand verloren gegaan. De meest bijzondere locatie bestaat echter nog altijd: het Zoniënwoud zelf.
Dit is een van de grootste en soortenrijkste bosgebieden van Europa en heeft niet voor niets de status van UNESCO Werelderfgoed. Kenmerkend zijn de eeuwenoude beuken die de wandelaar het gevoel geven dat hij door een groene zaal wandelt. Het ligt naast een stad met een miljoen inwoners dus bij de ingangen kan het soms druk zijn, maar wie, net als Karel V, doordringt tot aan het hart, vindt altijd wel een plekje waar jij zich een onderdeel van de keizerlijke jachtstoet kan wanen.
Bronnen
De informatie in dit stuk is hoofdzakelijk gebaseerd op direct beschikbare digitale bronnen. Voor wie verdieping zoekt of meer wil weten, is de volgende literatuur een aanrader:
Balis, A., “De ‘Jachten van Maximiliaan’, kroonstuk van de hoofse jachticonografïe”, in: Gentse bijdragen tot de kunstgeschiedenis, XXV, 1979-1980, p. 14-41
Buskirk, J., Hugo van der Goes’s Adoration of the Shepherds: Between Ascetic Idealism and Urban Networks in Late Medieval Flanders, Journal of Historians of Netherlandish Art 6-1, 2014.
Davidts, J.E., Het Hertogenkasteel en de Warande van Tervuren, 1981.
Dhanens, E., Hugo van der Goes, Antwerpen: Mercatorfonds, 1998.
Doperé, F. & W. Ubregts, De donjon in Vlaanderen. Architectuur en wooncultuur, 1991, blz. 209
Houthuys, A., Middeleeuws kladwerk. De autograaf van de Brabantse Yeesten, boek VI (vijftiende eeuw), Verloren, Hilversum, 2019.
Mellaerts, L. Het Zoniënbos. Bladzijden uit zijn rijke geschiedenis, Leuven: Offset-Frankie, 1962.
Oorschot, J.M.R. van, ‘Vorstelijke vliegers en Valkenswaardse valkeniers sedert de zeventiende eeuw’, proefschrift, Tilburg, 1974.
Gautier, P., “De architecturale ontwikkeling van de priorij van het Rood Klooster tussen 1450 en 1550” in: Bernard van Orley. Rood Klooster en het Zoniënwoud in de 16de eeuw, Oudergem, Kunstcentrum van het Rood Klooster, 2019, p. 26-39
Plaats een reactie